MS Contin

Iedere keer als ik Frans Hameleers zie met zijn kale kop, zijn holle ogen en zijn ingevallen wangen moet ik denken aan een concentratiekampgevangene, zeker als hij een gestreepte pyjama aan heeft. Hoeveel zou hij nog wegen? Veertig, vijfenveertig kilo? Tjonge, tjonge, wat is die man in amper een maand tijd achteruit gegaan! Zes weken geleden begon hij te klagen over pijn tussen zijn schouderbladen. Zijn huisarts liet hem opnemen in het ziekenhuis, maar een paar dagen later was hij weer hier, in het verzorgingshuis. Longkanker, zo luidde de diagnose, longkanker in een vergevorderd stadium.

Frans weigerde zich te laten behandelen. ‘Geef me maar een spuitje,’ zei hij tegen de artsen, ‘ik ben oud genoeg om dood te gaan.’ Frans is vijfentachtig, twee jaar jonger dan ik, maar die spuit hebben ze hem niet gegeven. Zolang je niet zo goed als dood bent, beginnen ze daar niet aan. Twee tabletjes morfine per dag, daar moet Frans het voorlopig mee doen. Zijn huisarts voert de dosering maar heel langzaam op en Lizzy, het afdelingshoofd, houdt zich strikt aan de voorschriften. Daarom zeurt Frans mij aan mijn kop. Hij wil dat ik dat potje met bruine pillen ga jatten uit de medicijnkast in de zusterspost.

Eerst dacht ik dat hij een grapje maakte, maar hij heeft het helemaal uitgekiend. Van vier tot kwart over vier gaan alle zusters koffie drinken in de recreatiezaal. Negen van de tien keer wordt de deur niet afgesloten. Meteen rechts als je binnen komt, schijnt een witte medicijnkast te staan. Tussen die kast en de zijmuur zouden twee sleuteltjes hangen. Eén voor de medicijnkast zelf en één voor het ingebouwde gifkastje, waarin de morfine wordt bewaard. Als Frans dat potje in handen krijgt, neemt hij die tabletten uiteraard meteen en allemaal tegelijk in. Een half uur geleden begon hij er weer over.
‘En dan,’ zei ik, ‘stel dat ze merken dat je een onnatuurlijke dood bent gestorven, die morfine gaan ze vroeg of laat missen.’
‘Als je doet wat ik zeg, komen ze er nooit achter dat jij die hebt weggenomen,’ zei Frans.
‘Oh nee,’ zei ik, ‘en als ze me betrappen terwijl ik in die medicijnkast sta te rommelen?’
‘Je durft het niet, Fons Kramer, je bent een angsthaas, een slappeling, en dat ben je je hele leven al geweest. Je laat me niet alleen creperen van de pijn, je laat me hier ook levend liggen rotten. Hoe vaak hebben we het er niet over gehad dat we de Dood moeten proberen vóór te zijn, dat we Hem niet de kans mogen geven ons zijn wil op te leggen? Nou, en? Hij is hier hoor, ik ruik Hem, de hele godganse dag. Jij bent de enige die me kan helpen, Fons!’
‘Ik ga een kop koffie drinken in de recreatiezaal,’ zei ik, ‘ik kom straks wel terug.’
‘Zonder dat potje hoef je hier nooit meer binnen te komen,’ gilde Frans me na.

Waarom heeft hij verdomme zijn vrouw en twee dochters overleefd, waarom heeft hij er niet voor gezorgd dat hij wat beter kan opschieten met zijn schoonzonen en zijn kleinkinderen?
Koffie, er wordt een kop koffie voor me neergezet. Maud, de gastvrouw, vraagt of ik slaap. Zat ik al een hele tijd met mijn ogen dicht? Het zou kunnen.
O jee, dat gaat fout. De dames Pieters en Roumen komen binnen, en de plaatsen waar zij altijd zitten zijn bezet door twee nieuwkomers. Die gaan er van langs krijgen, die krijgen de schrik van hun leven. Ik ben benieuwd of ze wat terug durven zeggen, want in principe mag iedereen hier gaan zitten waar hij wil. In principe. Mevrouw Pieters voert het woord, daarbij druk gebarend met haar wandelstok. Er wordt gewezen naar een tafel waar nooit iemand zit. De nieuwkomers staan langzaam op. Ze protesteren niet. Zo, zo, ze gaan niet naar de leegstaande tafel, maar verlaten de recreatiezaal.
Vroeger was het hier nog erger. De zaal is eigenlijk in twee delen verdeeld. Rechts staan lage tafels met lage stoelen, links hoge tafels met hoge stoelen. In het begin dat ik hier was, zaten de mensen van betere komaf rechts, aan de salontafels. Het gewone volk zat links, aan de keukentafels. Of er steeds minder oude mensen van stand zijn, of dat die lui hier niet meer komen wonen, weet ik niet. Feit is dat het plebs door natuurlijk verloop de overhand kreeg en nu ook de salontafels bezet.

Natuurlijk verloop, zeg ik. Is het zo natuurlijk dat tegenwoordig zoveel mensen zo oud worden? Het grootste gedeelte van de bejaarden die hier wonen, wordt op de been gehouden met medicijnen. Mijn buurman, niet Frans, maar degene die links van mij woont, die moet zestien tabletten en capsules per dag innemen. Voor het hart, voor de bloedvaten, voor de longen, tegen de duizeligheid, om te slapen, ik weet niet wat voor een troep hij allemaal slikt. En kortademig dat hij is! De hele dag zit hij te hijgen, te kreunen en te zuchten. Toch kan hij het roken niet laten. Onvoorstelbaar.

Nee, wat betreft heb ik geluk. Mijn lijf functioneert nog perfect, althans, voor iemand van zevenentachtig. Als ik een jaar of acht geleden niet met mijn zatte kloten van de trap gedonderd was, woonde ik waarschijnlijk nog altijd in het huis waar ik mijn hele leven heb gewoond. Zoals iedere avond was ik naar café Het Centrum geweest. Blijkbaar is het die avond een beetje uit de hand gelopen. Veel kan ik me er niet van herinneren. De poetshulp vond me de dag erna. Ik was nog steeds buiten westen en had mijn linker heup gebroken. Terwijl ik in het ziekenhuis lag, heeft mijn huisarts er voor gezorgd dat ik hier een kamer kreeg. Hij vond het onverantwoord dat ik nog langer alleen bleef wonen. Zonder al te veel zielepijn heb ik mijn huis verkocht.

Waar ik verder ook blij om ben is dat ik ze alle vijf nog op een rij heb staan, want als je ziet wat hier allemaal rondloopt! Laatst had ik vergeten de deur van mijn kamer af te sluiten voor ik slapen ging. Toen ik ’s morgens wakker werd en het licht aandeed, schrok ik me te barsten. In mijn stoel zat Lieske Goris te dutten. De nachtzusters waren haar al vanaf drie uur kwijt. Omdat ze dachten dat Lieske door één van de nooduitgangen naar buiten was geglipt, hadden ze de politie ingeschakeld. Grote consternatie natuurlijk. Nou ja, die mensen kunnen er ook niets aan doen. Vanmorgen zag ik mevrouw Genders op de gang. Het was net of ze iets wilde oprapen, maar zover ik kon zien, lag er niets op de grond. Toen ik dichterbij kwam, kreeg ik het in de gaten: mevrouw Genders probeerde haar eigen schaduw op te rapen.

Je zult je verstand maar kwijt zijn, alle beelden gaan je door elkaar lopen. Wat moet je je daarbij voorstellen? Als ik die mensen zie, denk ik wel eens: stel dat hun ogen projectors waren, dan zou je hen naar een witte muur kunnen laten kijken, en alles wat zij denken zou je dan afgebeeld zien op die muur. Dat zou toch handig zijn, voor de familie, voor de zusters. Hoewel, wie weet wat je allemaal te zien zou krijgen. Vorige week kwam hier een vrouw van de zesde verdieping helemaal in paniek naar binnen. De hoofdbroeder van haar afdeling wilde volgens haar een kind van haar, een jongen, omdat hij bij zijn vrouw wel twee dochters maar geen zoon heeft. Moet je nagaan, zij in de tachtig, hij in de dertig.

Een paar koukleumen gillen dat ik deur moet dicht doen. Ze kunnen me wat. Ik doe net of ik niks hoor. ’t Is niet omdat ik dicht bij de deur zit dat ik iedere keer moet opstaan. O, daar komt net juffrouw Cathrijn binnen, de directrice. Zij zal de deur wel dicht doen. Het schijnt dat ze binnenkort weggaat, dat ze directrice wordt van een ander verzorgingshuis. Of het waar is, weet ik niet. Er wordt van alles verteld. Het afgelopen jaar zijn hier in de provincie vier of vijf directies naar huis gestuurd. Om de haverklap staan er berichten in de krant over wanbeleid in verzorgingshuizen. Hier is er ook een hoop gedonder tussen de directie en het personeel. Frans zit al jaren in de bewonerscommissie. Hij laat me de notulen altijd lezen. Ook de verslagen van de ondernemingsraad worden hem bezorgd. Als de brieven van de ondernemingsraad aan de directie vandaag in handen komen van de krant, is dat mooie verzorgingshuis van ons morgen al voorpaginanieuws.
Frans is een rooie, hij was één van de eerste socialisten in de stad. Zelfs nu hij langzaam maar zeker de pijp ligt uit te gaan, kan hij zich nog boos maken over allerlei toestanden hier in huis. Mij vindt hij maar een slappeling, een lul, omdat ik wel overal van op de hoogte wil zijn, maar me nergens mee bemoei.

Ik denk dat hij gelijk heeft. Altijd heb ik de veiligste weg gekozen. En daar altijd de gelegenheid toe gehad. Van kinds af aan. De vriendjes waar ik mee speelde kwamen uit gezinnen met vaak meer dan tien kinderen. In het beste geval woonde zo’n gezin op een etage met drie of vier kamers. Ik was enig kind, en woonde met mijn ouders in een huis in het centrum van de stad. Mijn vader werkte als boekhouder bij een notaris. Terwijl mijn vriendjes na de lagere school naar de fabriek moesten om mee de kost te verdienen, mocht ik naar de HBS, waarna ik, net als mijn vader, een opleiding voor boekhouder volgde. Na het behalen van mijn diploma kon ik meteen aan de slag, in een sigarenfabriek, tien minuten lopen van huis. Tot aan mijn pensioen heb ik daar op kantoor gezeten. Een leven van optellen en aftrekken. Saai werk was het, oersaai, maar als ik mijn leven ging vergelijken met dat van de meeste andere mensen, kon ik niet anders dan vaststellen dat ik een gelukzak was.
Dat vergelijken heb ik altijd gedaan. Zelfs toen Leentje – het enige meisje, de enige vrouw waar ik ooit verliefd op ben geweest – onze vriendschap verbrak, dacht ik: het had nog erger gekund, er zijn mensen die nog veel meer ellende hebben dan ik. Diezelfde gevoelens had ik toen mijn ouders kort na elkaar overleden. Ze waren amper vijftig. Is er dan niets dat me tot in het diepste van mijn ziel kan raken? Ik weet het niet, ik weet het echt niet. Als ik gedurende heel mijn leven alle verdriet verdrongen heb, zou die opgekropte treurnis toch ooit tot uitbarsting moeten komen, zo stel ik me voor, maar er is niets dat daar op wijst.

Juffrouw Cathrijn verlaat de recreatiezaal. Achter haar rug begint meteen het gefluister. Het is niet moeilijk te raden waar men schande over spreekt. Juffrouw Cathrijn wordt er van verdacht een hekel te hebben aan het gewone volk. Alleen bij de deftige mensen laat zij zich zien. Het is alsof mevrouw Barthels, met wie zij net zat te praten, het in de gaten heeft. Hooghartig trotseert zij de blikken die nu op haar zijn gericht, en dat zijn er veel.
De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat het niet helemaal klopt wat er over Cathrijn wordt gezegd. Volgens Frans neemt zij hier geregeld mensen op die in andere verzorgingshuizen worden geweigerd. Je komt hier dan ook een aantal aparte figuren tegen. Meneer Koháry bijvoorbeeld, een Hongaar die in 1956 zijn land ontvluchtte en na veel omzwervingen in Nederland terecht kwam. Een merkwaardig ventje. De hele dag loopt hij in zichzelf te praten. Niemand die dat taaltje van hem verstaat.

Het begint aardig druk te worden. Zou er wat te doen zijn? Aan de meeste activiteiten heb ik een hekel. Kienavonden, kaart- en sjoelmiddagen, biljarttoernooien, toneel, voor mij hoeft het allemaal niet. Het meest gruwelijk vind ik de jaarlijkse carnavalsavond. Afschuwelijk. Mijn kamer ligt op de tweede verdieping, maar ook daar is het lawaai van die hoempapamuziek de hele avond te horen. Het eerste jaar dat ik hier woonde ben ik er naartoe geweest. Nooit meer. Al die hossende en springende oude mannen en vrouwen. Hun looprekken hebben ze opeens niet meer nodig. En dan zo’n Prins Carnaval, die met een brok in zijn keel komt vertellen hoe geweldig hij het vindt dat al die krasse oudjes de moed er in houden. Tara…boem. Als je, in tegenstelling tot mij, altijd van carnaval hebt gehouden, en je ligt op zo’n avond toevallig dood te gaan, dan heb je, met die achtergrondmuziek, ongetwijfeld een plezierig einde. Kun je met een feestneus op gaan hemelen. Alaaf. Vorig jaar hebben ze Hubert Boudsen de ochtend na het carnavalsfeest dood aangetroffen in zijn kamer. Nog verre van nuchter is hij ’s nachts gestruikeld en met zijn hoofd terecht gekomen op de ijzeren rand van zijn salontafel. Ook alaaf.

Niet alleen met carnaval gaan ze hier dood. Op de afdeling waar ik woon, sterven er gemiddeld tien per jaar. Tien van de veertig. Een kwart. Alleen op de tweede etage dus. En ze hebben hier zes verdiepingen. Tel maar uit. Met Frans heb ik het daar vaak over gehad. Al die stupide, achterlijke namen die ze aan verzorgingshuizen geven: Oranjehof, de Bloesem, Avondvreugde, Ave Maria. Hoe verzinnen ze het. De Laatste Halte of Huize Beter Oud dan Koud, zo’n naam zou de waarheid minder geweld aan doen. Een verzorgingshuis is één grote wachtkamer van de Dood. Niet alleen bij Frans, maar overal spookt Hij rond. In iedere gang, achter iedere deur kom je Hem tegen. Iedereen die hier woont, staat met Hem op en gaat met Hem naar bed. Nam Hij maar eens de gedaante aan van een mens, ging Hij maar eens rustig met je aan tafel zitten. Ik zou Hem een hoop te vragen hebben. Waarom Hij zich niet op enige logica laat betrappen, bijvoorbeeld, of, wat Hij met Frans van plan is, of Hij het leuk vindt om Frans zo lang te laten wachten. Eigenlijk is het te gek om los te lopen dat jonge mensen bepalen hoe wij, oude mensen, moeten omgaan met de Dood. Neem nou dat hele gedoe rondom euthanasie. Dat is toegestaan wanneer er sprake is van ondraaglijk lijden. Maar wie bepaalt wanneer welk lijden ondraaglijk is? Niet degene die lijdt. Zeker niet in een verzorgingshuis. Als Frans niet zo verzwakt was dat hij nog kon lopen, zou hij misschien naar de zesde etage gaan en uit het raam springen. Of hij zou die morfine zelf gaan jatten. Dat hij daar niet eerder aan heeft gedacht. Verkeerd gegokt, dat heeft hij. Als ik niet meer eet, is het binnen veertien dagen gepiept, zo redeneerde hij, maar drinken schijnt belangrijker te zijn dan eten, en Frans verrekt constant van de dorst.

Meneer Wellens heeft ook dorst. Zijn kleinzoon haalt een kop koffie voor hem. Kinderen, kleinkinderen, ik heb ze nooit gemist. Ik betwijfel ten zeerste of ik een goede vader zou zijn geweest. Veel bewoners klagen omdat hun kinderen zo weinig op bezoek komen. Eén keer per week vinden ze niet genoeg. Ze gaan er nog altijd vanuit dat kinderen hun ouders dankbaar moeten zijn omdat die hen op deze wereld hebben gezet. Flauwekul natuurlijk. Als er vroeger voorbehoedsmiddelen waren geweest, had niemand meer dan twee kinderen gehad. Waarom Frans zo slecht kan opschieten met zijn schoonzonen, waarom zijn kleinkinderen haast nooit op bezoek komen, heeft hij me nooit verteld. Het zal ook wel te maken hebben met zijn eigen koppige karakter. Frans is een drammer, een doordrijver, hij mag je of hij mag je niet.

Door de glasgordijnen heen zie ik iemand zwaaien in de gang. Het is Karel, de enige broeder die bij ons op de afdeling werkt. Karel is een Belg. Niet alleen in de verzorgingshuizen, maar ook in de verpleeg- en ziekenhuizen in de hele grensstreek werken veel Belgen. Volgens Karel zijn het geen gastarbeiders maar ontwikkelingshelpers. ’t Is maar hoe je het bekijkt. Ik heb altijd al het vermoeden gehad dat die Belgen niet zo achterlijk zijn als wij, Nederlanders, denken. Hoe hij het doet weet ik niet, maar als er wielrennen op TV is slaagt hij er steevast in om de laatste kilometers van de wedstrijd iets te doen te hebben in mijn kamer. Opruimen, handdoeken verschonen, pedaalemmer legen, formulieren invullen, een praatje maken. En daar doet hij lang over, héél lang. Hij is even gek op wielrennen als ik. Tijdens de Tour de France zie je me ’s middags niet in de recreatiezaal. Vooral van de bergetappes kan ik genieten. Alleen het landschap al.

Trui Vercammen laat met veel kabaal weten dat ze terug naar haar kamer wil. Maud gaat naar de tele-foon, een zuster bellen. Er wordt hier heel wat afgekankerd op de zusters. Ze zijn niet vriendelijk genoeg, ze hebben nooit tijd, ze komen niet als je hen belt, ze zijn te ruw, te stug, te dik, te dun, te jong, te oud. Een tijdje geleden weigerde mevrouw Dielis zich te laten helpen door een nieuwe zuster, een Ambonnees meisje. Ze was te zwart, aldus mevrouw Dielis. Ik hoop dat mevrouw Dielis nog vijftig jaar mag leven. Dan krioelt het hier van de Turkse, Marokkaanse, Chinese en Zambiaanse zusters. Geen Nederlands meisje dat zich dan nog geroepen voelt om de hele dag te luisteren naar het geleuter van een stelletje ouwe zeuren. Zeker niet voor een salaris dat heel wat lager schijnt te liggen dan in het bedrijfsleven.
Vorige week stond er een artikel in de krant over een directeur van een verzorgingshuis die het bedrijfsleven wil betrekken bij de ouderenzorg. Zie je het al gebeuren! Krijgen de zusters uniformen met shirtreclame. Dat zullen de begrafenisondernemers prachtig vinden. Op ieder uniform in koeien van letters: DELA, daar ligt uw toekomst, daar moet u wezen!

Terwijl Trui Vercammen door de ene deur wordt afgevoerd, probeert meneer Schakel de rolstoel, waar zijn vrouw in zit, via de andere deur naar binnen te rijden. Het wil niet lukken. Drie, vier keer knalt hij met een wiel tegen de deurstijl. Maud gaat hem helpen. Mevrouw Schakel lacht. De eeuwige glimlach van iemand die geestelijk zo ver weg is dat ze niet eens meer weet wie ze zelf is. En daar schijnbaar niet onder lijdt. Meneer Schakel wil niet dat zijn vrouw wordt opgenomen in een verpleeghuis. Hoewel hij zelf nauwelijks uit de voeten kan, probeert hij voor haar te blijven zorgen. Overal sjouwt hij met haar naar toe. Dat levert aandoenlijke taferelen op. Mensen schudden glimlachend het hoofd als ze hem bezig zien. Een mengeling van bewondering en medelijden. Mannen die hun vrouw aankijken en omgekeerd: zal het ons ook zo vergaan? Wat is er erger voor mensen die al vijftig, zestig jaar elkaars leven delen: de Aftakeling of de Dood? Als je kijkt naar de echtparen die hier wonen is er in ieder geval niet veel sprake meer van romantiek. Een woonkamer van vier bij vijf, een slaapkamer van drie bij vier, een douche met w.c. Daarin vierentwintig uur per dag op elkaars lip zitten, ik geef het je doen. Zeker als de één zo doof wordt als een kwartel en de ander zo vergeetachtig als een brievenbusklep. Leuke gesprekken komen daar uit voort. Om nog maar te zwijgen van het gestrompel, gehannes en geknoei.

De Aftakeling en de Dood. Misschien heeft Frans gelijk, misschien moeten oude mensen wat vaker het recht in eigen handen nemen, en elkaar daarbij helpen, althans, als daar om wordt gevraagd. De bedoelingen van de huisarts en Lizzy zijn in het geval van Frans ongetwijfeld goed, maar ze zijn gebaseerd op de logica van mensen die nog een leven voor zich hebben. Wie zo oud is als Frans en ik, en vooruit kijkt ziet alleen maar dood, de Dood.

Wie wenst iedereen zo luidruchtig goede middag? Dat kan alleen Anton zijn. Een vrijwilliger, werkloos en op zoek naar een zinvolle tijdsbesteding. Anton komt wekelijks een paar keer helpen in de recreatiezaal. Hij maakt er geen geheim van dat hij homo is. Al die ouwe tantes zijn gek op hem. Die is tenminste vriendelijk, zeggen ze, heel anders dan de vaste personeelsleden die altijd met een sjagrijnig gezicht rondlopen. Maud zal wel blij zijn met de hulp van Anton. Ik hoor haar de laatste tijd steeds vaker zeggen dat deze baan haar te zwaar wordt. Begin vijftig is ze, en vaker ziek dan aan het werk. Onder het personeel zijn er sowieso veel zieken. Je ziet hier constant nieuwe gezichten. Uit-zendkrachten. Op de eerste etage liep een tijdje geleden een fraaie rond. Een boom van een kerel. Net een bouwvakker. De bewoners verrekten van de angst als hij hen kwam verzorgen. En de zusters voelden zich ook niet veilig in zijn buurt. Hij kon zijn handen niet thuis houden. Na veertien dagen hebben ze hem eruit gegooid.

Volgens de ondernemingsraad heeft het hoge ziekteverzuim alles te maken met het beleid van de directie. Over twee maanden bijvoorbeeld moeten dertig zusters van afdeling veranderen, de meesten zeer tegen hun zin. Rosita, die al twaalf jaar op de tweede etage werkt, is huilend naar huis gegaan toen ze te horen kreeg dat ook zij wordt overgeplaatst. Meneer Rekkers, hoofd verzorging en assistent van juffrouw Cathrijn, stelde haar voor de keuze: naar die andere afdeling of ontslagen worden. En waarom moet Rosita weg? Niet omdat ze slecht werkt, integendeel, maar omdat de boel op die andere afdeling niet functioneert. Alles wordt almaar zakelijker, dat merk je hier ook. Er worden geen ouderen meer verzorgd, nee, er wordt een product geleverd! Sinds een half jaar is er nieuw hoofd huishouding, mevrouw Opstal, en die wil er een echt bedrijf van maken. De medewerkers van de keuken voelen zich danig op hun ziel getrapt door de manier waarop zij haar reorganisatieplannen wil doordrukken. Vroeger zag je dat keukenpersoneel vrijwillig en onbetaald komen meehelpen als er ’s avonds of in het weekend wat georganiseerd werd voor de bewoners. Nu vertikken ze het. Cathrijn en Opstal kunnen naar de kloten lopen, dat denken ze niet alleen, ze zeggen het ook. In de vergaderingen van de bewonerscommissie lag Frans altijd overhoop met Cathrijn. Frans vindt dat de bewoners mee moeten kunnen beslissen in beleidszaken. Alleen maar recht op inspraak en advies, daar heb je niets aan, aldus Frans. Ach, veel is er nog niet veranderd sinds de tijd dat ik op kantoor zat, ondanks de democratisering en meer van dat soort mooie woorden, de bazen zijn nog altijd de baas.

Hé, Anton vertrekt alweer. Dat zal Maud niet leuk vinden. Bij de deur wordt Anton bijna ondersteboven gelopen door Harry. Harry Dielemans, de man die de bewoners, die iedere dag in de Welfare zitten, in staking deed gaan. Ze wilden niet meer dat Harry nog in de Welfare kwam. Waarom niet? Harry praatte te hard, zat voortdurend te boeren en hield niet op met scheten laten. Van die harde, stinkende scheten. Alle Welfarebezoekers trokken gezamenlijk naar de hal en eisten een gesprek met Cathrijn. Die heeft Harry verboden nog in de Welfare te komen. Ze zeggen dat Harry in de oorlog een klap van de molen kreeg. Als hij zijn dag niet heeft, loopt hij te roepen en te schelden. Wat hij er allemaal uitkraamt mag Joost weten. Soms dwaalt hij ’s nachts uren door het gebouw.
Er wordt naar de gang gewezen. Als ik het goed zie lopen daar twee mannen in het zwart met een brancard. Geroezemoes alom. Of iemand weet wie er vanmorgen gestorven is? Het blijkt een vrouw van de eerste etage te zijn. Ze woonde hier pas. Ik heb een keer door een deur staan gluren toen ze een lijk kwamen ophalen. Zachtzinnig zijn de heren uit die branche niet. De een nam het lijk onder de oksels, de ander pakte de benen en met één zwaai werd het levenloze lichaam op de brancard gekwakt. Er ging een deken en een dik zeil overheen. Het geheel werd stevig vast gebonden met drie riemen. Iedereen kijkt weer naar de gang. De heren in het zwart haasten zich naar de achteruitgang. Hebben ze het druk of willen ze ons niet langer dan strikt noodzakelijk confronteren met de Dood?

Ik word op mijn schouder getikt. Het is Lizzy.
‘Meneer Kramer, hebt u zin om dinsdagavond mee naar de operettevoorstelling in de schouwburg te gaan?’
‘Nee, dank je Lizzy,’ zeg ik, ‘daar hou ik niet van.’
‘Het was maar een vraag,’ zegt Lizzy.
‘Ben je nog bij meneer Hameleers geweest,’ vraag ik.
‘Als het goed is, zijn Karel en Rosita hem nu aan het verzorgen,’ zegt Lizzy, en gaat met haar formulieren op zoek naar andere bewoners van de tweede etage.
Een cultuurmaniak ben ik nooit geweest. Af en toe ga ik een praatje maken met Ernest Joosten. Die leest drie, vier boeken per week. Hij heeft wat aan zijn benen en zit de hele dag in een rolstoel. Mieke, één van de zusters, gaat iedere week voor hem naar de bibliotheek. ‘Meneer Joosten leest alle boeken, die ik eigenlijk zou moeten lenzen,’ hoorde ik haar ooit zeggen. Ernest vindt het niet erg om de hele dag in zijn kamer te zitten. Aan de titels van zijn boeken te zien, is hij de hele dag op reis.
Er wonen hier trouwens een hoop mensen die nooit naar de recreatiezaal komen. Om allerlei redenen. Omdat er hier gerookt mag worden bijvoorbeeld. Maar ook omdat men niet het risico wil lopen sommige andere bewoners tegen te komen. En dat heeft nog steeds te maken met de oorlog van 40-45. Mensen die in het verzet zaten, weten precies wie bij de NSB was, en omgekeerd. Iedereen die hier woont, draagt zijn eigen geschiedenis mee, en aangezien iedereen die hier woont de oorlog heeft meegemaakt…
Frans vroeg me ooit wat ik tijdens de oorlog heb gedaan.
‘Niets,’ heb ik geantwoord, ‘iedere dag braaf naar mijn werk gegaan. Ik heb niets goeds en niets fouts gedaan.’
‘Wat ben jij toch een ongelofelijke klootzak,’ zei Frans.

Ach kijk, daar is Ivanka, zuster Ivanka, een aardig kind. Toen ik haar de eerste keer zag, dacht ik een ogenblik de reïncarnatie van Leentje te zien. Leentje! Na een half jaar ging ze terug naar haar vroegere vriend, trouwde en vertrok met hem naar Canada. Ik heb haar nooit meer gezien. In iedere relatie die ik later had, miste ik bij mezelf de gevoelens die ik voor haar gekoesterd had. Langer dan een paar maanden duurden die verhoudingen niet. Ik had ook sterk de indruk dat al die vrouwen minstens even veel geïnteresseerd waren in mijn betrekkelijke welstand als in mijn weinig opwindende persoonlijkheid. Ivanka komt meneer Bogaerts halen.

Al die opmerkingen van Frans heb ik altijd langs me een laten gaan, ze deden me niets, maar vandaag voel ik me er op één of andere manier lichtelijk onbehaaglijk bij. Ik zie Frans ook voortdurend voor me. Woelend ligt hij op mij te wachten. Verdomme Frans, je maakt het me wel moeilijk!
Was mevrouw Franken ook hier? Ik heb haar niet zien binnenkomen. Ze ziet er wit uit. En wat loopt ze slecht. Over de oorlog gesproken. In 1944 heeft mevrouw Franken haar man en haar wee zoontjes verloren. De Engelsen wilden een spoorwegbrug bombar-deren, maar de bom kwam terecht in de wijk waar zij woonde.  Mevrouw Franken was op dat moment in de stad. Haar man werd zittend aan tafel, met de kinderen op schoot onder het puin bedolven.

Dood, alsmaar dood. Het eerste wat ik doe als ik ’s morgens de krant krijg, is naar de overlijdens-advertenties kijken. Tot voor kort ging ik haast elke week naar een begrafenis. Een uitvaartdienst is het enige wat ik nog mooi vind aan heel die katholieke kerk. Tenminste, als het een Gregoriaanse mis is, met een fatsoenlijk koor. Maar die zijn er niet veel meer, of ze worden niet gevraagd voor de begrafenissen van oude mensen. Te duur zeker. Wie treurt er nu nog om de dood van een bejaarde? In een dorp misschien, maar in een stad? Een handvol mensen in de kerk, kinderen die blij zijn dat ma of pa eindelijk uit haar of zijn lijden is verlost, een pastoor die de dode niet of nauwelijks heeft gekend en dus geen zinnig woord over diens leven weet te vertellen, een kale kist op een kale brancard, wierook waarop stevig bezuinigd wordt, nee, begrafenissen zijn niet meer wat ze geweest zijn. Voor oude mensen toch niet. We worden te oud, veel te oud.

Toon Wijns komt de zaal binnen. Op de tast. Hij zal onderhand wel stekeblind zijn. Vanuit de recreatiezaal kun je een tuin in, die wordt begrensd door een beek. Het eerste wat Toon deed toen hij hier kwam wonen, was regelrecht die beek inlopen.

Mijn begrafenis zal niet veel soeps zijn. Als er vijf mensen in de kerk zitten, zal het veel zijn.
Zo, het is al half vier geweest. De meeste bewoners blijven hier zitten tot vijf uur. Als je naar al die gezichten kijkt zie je Hem. Zonder veel moeite. Mevrouw De Goede bijvoorbeeld. Die loopt al weken rond met de Dood op haar gezicht. Dat ze naar de recreatiezaal blijft komen, heeft alles te maken met angst. Angst om alleen met Hem in haar kamer te zitten. Voelen dat Hij er is, maar niet weten wanneer Hij gaat toeslaan. Dat daar nog geen onderzoek naar is gedaan. Waarom heeft de ene mens wel angst voor de Dood en de andere niet? Heeft het te maken met het leven dat men heeft geleid? Is veel met Hem bezig zijn een goed of een slecht teken? Hoe vaak heb ik meneer Overveen niet horen praten over de Dood? Heel nuchter, heel rationeel. Een paar dagen voor zijn dood zocht ik hem op. Hij zat aan tafel met de druppels angstzweet op zijn gezicht. Al weken kon hij niet meer slapen. Dubbele porties slaaptabletten nam hij in. Hij slikte ze door met een groot glas cognac, en nog kon hij de slaap niet vatten. Meneer Degreve pakte het anders aan. Toen hij zijn einde voelde naderen, vroeg hij zijn huisarts welke dood hem te wachten stond. Toen hij hoorde dat de kans groot was dat hij zou stikken, liet hij zijn familie en de pastor komen. De dag erna was hij dood. Ingeslapen.
En Frans dan, die wil ook dood. Zal ik die pillen toch maar gaan jatten? Welke reden heb ik om het niet te doen? Wat heb ik eigenlijk te verliezen?
Als ik het doe moet ik wel opschieten. Het is nu tien voor vier, dadelijk komen de zusters koffie drinken.

Stramme benen heb ik, zeker van het zitten. Halverwege de recreatiezaal en de liften kruis ik Lizzy, Karel en Rosita. Gelukkig, daar komt net een lift. Opschieten mensen, ik heb haast. Zonder tussenstop zoem ik naar de tweede etage. Daar moet ik naar links, door het afdelingszitje, waar vier grote lijsten hangen met foto’s van mensen die hier wonen of gewoond hebben. De dodengalerij. De eerste deur rechts nu, de zusterspost. ’t Is stil op de gang, geen kip te zien. Voorzichtig doe ik de klink naar beneden. De deur is open. Stel je voor dat binnen nog een zuster zit. Aha, de medicijnkast. Tussen de kast en muur hangen inderdaad twee sleuteltjes. Mijn hart bonst in mijn keel. De kleinste sleutel pas niet, die zal van het gifkastje zijn. Wat een gehannes om die deur open te krijgen. Eindelijk! Aan de knop draaien, de deur openen, allemaal vakken met medicijnen.
Waar is dat gifkasje? Ah, links boven. Dat slot gaat wat makkelijker open. Vooraan staat één potje, achteraan twee. Ik neem het eerste. Op het etiket staat getypt: Dhr. F Hameleers, MS Contin. 10 mg. Is morfine, staat er in het rood bijgeschreven. Ik draai het deksel van het potje. Bruine pilletjes, zo’n twintig stuks. Wat zou er in die andere potjes zitten? Ik pak er één. Ook MS Contin, maar 30 mg. Van wie zijn die? Van mevrouw Droogmans. Die is een half jaar geleden gestorven. Paarse pillen, ook zo’n twintig stuks. Misschien kan ik beter deze nemen, die zullen ze niet zo vlug missen, en ze zijn drie keer zo sterk. Even dat potje van Frans sluiten en terug zetten, het gifkastje op slot doen, de sleutel er uit nemen.
Wat staat hier, in het vak met algemene medicijnen? Een potje Seresta 10 mg. Dat zijn toch kalmeringspillen? Zou ik er daar ook een paar van meenemen voor Frans? Kan nooit kwaad. Ik doe er een stuk of tien bij de paarse pillen. Hoe laat is het? Tien over vier. Ik moet opschieten. Deksels op de potjes doen, dat van Frans in mijn broekzak stoppen, de kast sluiten, sleuteltjes terug hangen en maken dat ik weg kom. Op de gang is er nog steeds niemand te zien. Maar in het afdelingszitje zit iemand, met zijn rug naar hier. Aan de bos grijze haren te zien is het meneer Konings. Die is gelukkig zo doof als een kwartel.

Ik moet proberen me rustig te houden, net doen alsof ik aan het wandelen ben en naar de foto’s kom kijken. Met een zweterige hand omklem ik het potje. Ik groet meneer Konings en ga naar de foto’s kijken. Meneer Konngs lijkt helemaal in gedachten verzonken. Waar hangt die foto van mij ook weer? Het is echt een dodengalerij. Ik hang tussen meneer Pisters, meneer Overveen en juffrouw Garnier, allemaal dood. Die foto van mij is een jaar of zes geleden gemaakt. Ik zie er nog vrij patent uit, al zeg ik het zelf. Grijze, opzij gekamde haren, de scherpe neus van mijn vader, een goed gesoigneerde snor en de blauwe ogen van mijn moeder.
‘Jij hebt nooit hard hoeven werken, je hebt nooit gerookt, niet al te veel gedronken en je nooit af-gegeven met de wijven, daarom zie jij er nog zo goed uit,’ zei Frans me nog niet zo lang geleden.
Oei, daar komen Lizzy, Rosita en Karel al terug van hun pauze. Ze hebben haast.
‘Meneer Kramer, gaat u zo meteen nog naar meneer Hameleers,’ vraagt Lizzy.
‘Ja, hoezo, is er wat met hem?’
‘Nee, nee,’ zegt Lizzy, ‘zou u hem willen zeggen dat we hem pas over een uur komen verzorgen. Mevrouw Boenders is niet goed geworden.’
‘Natuurlijk, natuurlijk, ik ga meteen naar hem toe.’
‘Dank u,’ zegt Lizzy. Ze moest eens weten.

Ik loop de lange gang door naar het blok waar Frans en ik wonen. Eerst ga ik een groot glas water drinken. Ik sterf van de dorst. Dat smaakt. Nu naar Frans. Ik klop op de deur en loop naar binnen. Frans ligt onderuit gezakt in bed met de ogen dicht.
‘Hoe is het,’ vraag ik, ‘heb je nog pijn?’
Zonder zijn ogen te openen antwoordt hij: ‘Dat weet je best Fons, je moet niet zo’n stomme vragen stellen.’
‘Ik heb wat voor je.’
‘Bloemen gaan plukken? Een fruitmand gekocht?’
‘Nee Frans, een doos dikke Havannasigaren, dan krijg je wat meer lucht.’
‘Klootzak, kom je me een beetje treiteren?’
Ik pak het potje met medicijnen uit mijn broekzak, houd het voor het hoofd van Frans en rammel ermee. Frans opent zijn ogen, kijkt naar het potje, naar mij en weer naar het potje. Er verschijnt een steeds groter wordende glimlach op zijn gezicht. Heel langzaam gaat hij recht zitten.
‘Het is niet waar, hoe bestaat het, Fons Kramer heeft op zijn zevenentachtigste eindelijk iets fatsoenlijks gedaan!’
Hij wil het potje uit mijn handen graaien, maar ik trek het vliegensvlug terug.
‘Ho ho, Frans, rustig aan, ik heb ze gejat, ze zijn dus van mij. Jij mag ze hebben, maar we maken het wel netjes af.’
‘Niet zeuren Fons, geef hier.’
‘Nee Frans, jij sluit straks je ogen, maar ik blijf hier achter. Ik heb geen zin om met de gebakken peren te blijven zitten.’
‘Goed, goed, wat wil je?’
‘In de eerste plaats wil ik weten of je nog steeds dood wil.’
‘Doe niet zo achterlijk Fons, je lijkt wel een maatschappelijk werker.’
‘Hoef je niets meer te regelen?’
‘Wat zou ik moeten regelen?’
‘’Wil je je schoonzonen en kleinkinderen niet meer zien?’
‘Fons, die zijn deze week allemaal geweest. En hoewel ik hen al jaren niets meer te zeggen heb, heb ik heel rustig en netjes met hen gepraat. Met Henk heb ik zelfs alle papieren voor de begrafenis klaar gelegd.’
‘Dat wist ik niet, dat had je me kunnen vertellen.’
‘Kom op, Fons, geef hier die pillen.’
‘Goed, als je die pillen hebt ingenomen, val je, denk ik, meteen in slaap. Ik heb er ook wat seresta’s bij gedaan…’
‘Je meent het …’
‘Had je niet verwacht hé! Wat moet ik doen als je in slaap gevallen bent? Je zult er wel niet veel van merken, maar je gaat wel de pijp uit. Moet ik de zusters waarschuwen, wil je liever alleen dood gaan…’
‘Ik wil dat je bij me blijft tot ik er niet meer ben, tenminste, als je dat zou willen doen…’
‘Goed, we hebben een klein uur de tijd. Ik moest je van Lizzy zeggen dat ze je later komen verzorgen. Mevrouw Boenders is niet goed geworden.’
‘Uitstekend.’
‘Allez, zullen we dan maar? Moet je nog een sigaret of zo?’
‘Ben je gek, geef me die pillen nou maar, en een groot glas water.’
Terwijl ik een glas water neem en de deur afsluit hoor ik Frans plassen in zijn urinaal. De laatste lediging van de blaas! Ik zet het glas water voor hem en geef hem het potje met zo’n twintig morfinetabletten en een stuk of tien seresta’s.
‘Die paarse pillen, dat is toch geen morfne,’ zegt Frans, ‘zit je me te bezeiken?’
‘Godverdomme Frans, die bruine pillen die jij altijd krijgt zijn 10 mg, deze zijn drie keer zo sterk, kijk maar op het potje.’
‘Goed, goed,’ zegt hij een beetje beduusd, ‘hoeveel zou ik tegelijk binnen krijgen?’
Hij heeft het zweet op zijn voorhoofd staan. Ik ook trouwens.

‘Nou, daar gaan we dan,’ zegt Frans.
Hij lijk zich nog heel even te bedenken, maar brengt dan resoluut het potje naar zijn mond. Zeker de helft van de pillen slik hij door met een paar flinke teugen water. Meteen daarna gaat de rest van de pillen in zijn mond. Ik let er goed op dat geen enkele pil tussen de lakens terecht komt. Stel je voor!
Frans krijgt de tweede portie wat moeilijker doorgeslikt. Ik haal nog een glas water. Terwijl Frans drinkt stop ik het lege potje en het dekseltje in mijn broekzak. Ik zal het straks kapot trappen en de stukjes ergens onderaan in een vuilniszak in het slob verbergen.
Frans zijn ogen beginnen te draaien. Zou da spul al zo vlug werken? Hij laat zich achterover in de kussens vallen en sluit zijn ogen. Frans steekt zijn hand in mijn richting. Ik pak ze vast. Frans knijpt in mijn hand.
‘Fons, bedankt, ik heb altijd wel geweten dat je diep in je hart geen slappeling, geen lul bent.’
‘Ga maar lekker slapen, Frans,’ zeg ik, ‘en doe ze de groeten, waar je ook terecht komt.’
‘Ik zal een kaartje sturen,’ antwoordt Frans.
‘Kloothommel,’ zeg ik, ‘ik pak een stoel en kom bij je zitten’.

Voor ik dat doe, zet ik deur op een kier. Als er onverwacht een zuster binnen komt, kan ik zeggen dat ik even kwam kijken en zag dat Frans niet goed geworden is. Frans slaapt al. Zijn ademhaling is diep en rustig. Hij ligt er verdomme bij met een gelukzalige glimlach op zijn gezicht. Kwart voor vijf is het, en doodstil. Alleen het getik van een ouderwetse klok aan de muur en de ademhaling van Frans. Ik pak zijn hand, ze is zo slap als een vod. Boven het bed hangt een foto, de enige in deze kamer. Frans staat er op met zijn vrouw en zijn kinderen. Hoe lang geleden zou die foto gemaakt zijn? Zijn dochters waren niet ouder dan tien. Als er een hemel bestaat, Frans, dan zie je hen heel vlug terug. Zelfs socialisten worden tegenwoordig toegelaten in de hemel.
Aan zijn polsslag te voelen, fietst Frans op dit moment niet de Tourmalet maar de Himalya op. Mijn God, wat gaat dat hart tekeer. Zijn ademhaling wordt onrustig. Het lijkt wel of ze wordt geblokkeerd. Dat het zo vlug zou gaan, had ik eerlijk gezegd niet verwacht. Frans begint vreemd te doen. Zijn lichaam schokt. Sodeju Frans, doe eens een beetje rustig. Hij spert zijn ogen wijd open, hapt naar adem en … niets meer. Is het afgelopen? Is hij dood? Frans, verdomme, kon het niet wat minder akelig? Ik sta hier te beven en te trillen, dadelijk krijg ik een hartinfarct. En nu? Ja, wat nu?

Ik sluit de ogen van Frans, veeg zijn mond schoon met een servet en bedenk dat ik Lizzy moet laten komen. Ik druk op de rode knop van de intercom.
‘Hallo, met de receptie, kan ik wat voor u doen?’
‘Met Kramer, zou je Lizzy naar meneer Hameleers willen sturen?
‘Doe ik, dááág.’
Op de gang wacht ik Lizzy op. Het duurt even voor ze er is. Daar komt ze.
‘En,’ vraagt ze, ‘is er wat met meneer Hameleers?’
‘Tja,’ zeg ik, ‘een uur geleden was er niets aan de hand. Nu loop ik binnen en volgens mij is hij dood.’
Lizzy kijkt me, de wenkbrauwen fronsend, aan.
‘Ik zal even kijken,’ zegt ze.
Ik loop achter haar aan.
Echt schrikken bij het zien van Frans, doet ze niet. Ze maakt zoiets natuurlijk vaker mee. Ze voelt zijn pols, roept zijn naam, maar krijgt uiteraard geen reactie.
‘Potverdorie, hoe kan dat nou,’ zegt ze meer tegen zichzelf dan tegen mij.
‘Nou ja,’ gaat ze verder, ‘meneer Hameleers is gelukkig, hij is uit zijn lijden verlost, dat wil hij toch graag!’
Dan kijkt ze naar mij: ‘Bent u erg geschrokken?’
‘Het valt wel mee,’ zeg ik.
‘Het lijkt me het beste dat u naar uw kamer gaat. Ik ga de dokter en de familie bellen. Zal ik u laten roepen om een kruisje te geven als meneer Hameleers is afgelegd?’
‘Nee,’ zeg ik, ‘nee, dat hoeft niet, in kruisjes geven ben ik nooit een held geweest.’


Miel Vanstreels

-------------------------------

Bovenstaand verhaal werd in 1991 gepubliceerd in Deus ex Machina (15e jrg nr 2) en later overgenomen door Recht Op Waardig Sterven.