Gisteren het jaarlijks familierondje Ritz gefietst, bestemd voor de nazaten (en hun aanhang) van mijn schoonouders. Het pelotonnetje bestond dit keer uit vier kleinzonen en de schoonvader van een van hen, uit twee kleindochters en hun partners en ondergetekende. Nieuwkomer Niels was de onbetwiste revelatie, net zoals zijn dit keer ontbrekende vader dat de afgelopen jaren was. Merkwaardig toch dat sommige mensen er pas op (heel) late leeftijd achter komen hoe hard ze in de heuvels kunnen fietsen. Als routeplanner fungeer ik altijd als rode lantaarndrager: wie achterop raakt hoeft geen schrik te hebben dat hij verdwaalt. Die taak beviel me dit jaar uitstekend. Het lijkt wel of die veertigers steeds sneller worden. Of ik word steeds trager natuurlijk! Langzaam maar zeker ga ik de kant van mijn vader op. Die verzuchtte op zijn 83ste op ieder stukje vals plat: 'Miljaar, wat is het hier toch steil'. Vandaag sloot ik op de acht hellingen de rij in het uitermate prettig gezelschap van Femke, de jongste dochter van mijn oudste schoonbroer. Ze wilde rustig haar eigen tempo fietsen, ze had geen zin om zichzelf op te blazen. En daar was ik dus blij om. Onderweg dacht ik terug aan 1975, aan de doop van Femke, waar ik als peetoom bij aanwezig was. Heel bijzonder om 51 jaar later met haar door het Mergelland te pedaleren. Overigens, op haar 21ste heeft Femke me ontslagen van mijn taak als peetoom: ik hoefde, zoals de katholieke kerk voorschrijft, geen bijdrage meer te leveren aan haar geestelijke opvoeding! Femke was toen al net zo wijs als gisteren op de fiets!

