Aangenaam

Het is al weer 43 jaar geleden dat ik als negentienjarige naar Maastricht kwam om in het plaatselijke ziekenhuis een opleiding te volgen. Zes mannen waar ik toen mee optrok tref ik sinds vijf jaar iedere laatste maandagavond van de maand, in café Forum of café de Tribunal. Eén van hen is Dré. Met hem verkende ik begin jaren zeventig van de vorige eeuw de streek van de Amstel Gold Race. Op iedere helling fietste hij me finaal d'eruit. Dat deed hij ook een jaar of tien geleden, toen ik na drie decennia weer ‘ns met hem op pad ging. Gelukkig was ik toen al zo verstandig om overal in mijn eigen tempo naar boven te peddelen. Vandaag wil Dré een kilometer of zeventig het Mergelland in. Hij heeft zijn (overjarige doch goed lopende) fiets een hele tijd niet aangeraakt, maar de laatste maanden draait hij opnieuw zijn rondjes: ‘Ik ga weer overal op de 39x22 naar boven!’ Ik voel de bui al hangen.
Het begintempo is gezapig. Tijd voor gekeuvel en geklets. Tot mijn verbazing hoef ik op de Bemelerberg geen buitensporige moeite te doen om Dré te volgen. Ik hoor hem zelfs zwaar hijgen en dat is nieuw. Ook op de Koning van Spanje en de Schweiberg blijf ik makkelijk naast hem. Ik weet niet wat me overkomt. Ooit zat ik toch kotsend aan zijn wiel? Op de Camerig zit Dré echt af te zien: ‘Pijn in mijn rug, een kilo of vijf te zwaar en lang niet zoveel gefietst als jij.’ Dré wil desondanks toch naar de Huls, al vreest hij daar te breken. Van langzaam bergop fietsen heeft hij nog nooit gehoord. De Sibbergrubbe moet hij met zijn kleinste versnelling te lijf. Nou ja, kleiner dan 39x24 kan hij niet. Ik blijf bij en naast hem. Of dat netjes is, weet ik niet, want ik zit glimlachend te luisteren naar zijn gehijg en gesteun. Die Dré, hoe vaak heeft hij me niet verrot gefietst?
Als we terug in Maastricht zijn, bedanken we elkaar voor de tocht. Dat doe ik meestal met de woorden: ‘Het was mij bijzonder aangenaam.’ Vandaag klopt dat dus (méér dan) helemaal.

Die Dré!